Geschiedenis van de Cuneratoren


4e-7e eeuw:

De Cunera legende; Cunera (een prinses uit het huis van Tudor) en haar nicht Ursula gaan met (11.000) "maagden" op bedevaart naar Rome. Op de terugreis via de Rijn worden ze bij Keulen overvallen door woeste Hunnen, onder leiding van Atilla. Alleen Cunera overleeft de overval, omdat ze gered wordt door een Frankische koning (een rijke boer). Deze neemt haar mee naar Rhenen, waar hij zijn hoeve heeft. Cunera wordt als dienstmeisje in de huishouding opgenomen en gaat naast haar taken ook armen en zieken verzorgen en begint met de kerstening van de heidense Franken. Zij wordt alom geliefd en de koning vert:rouwt haar zelfs de sleutels van de voorraadschuren toe, welke een symbool zijn van de huiselijke macht van de echtgenote. De vrouw van de koning wordt dan ook jaloers en wurgt Cunera. De moord komt echter uit door een wonder in de paardenstal. De koningin wordt verbannen, laat zich van de Grebbeberg vallen en breekt haar nek. De koning bekeert zich tot het christendom.

8e eeuw:

De bevolking van Rhenen is geheel gekerstend want de bijgaven houden op. Dit weten we van een plaatselijk grafveld.

10e eeuw:

Rhenen is slechts een kleine nederzetting op de grens van Utrecht en Gelre en er wordt veel gevochten. Omdat het een arme nederzetting is, heeft het geen last van de strooptochten van de Noormannen. Omstreeks deze tijd zal er een kleine houten of tufstenen kerk gestaan hebben. De grond is eigendom van de abdij Deutz bij Keulen met St. Pieter als patroon. Vandaar St. Pieter als beschermheilige van de Rhenense kerk en de letters SP in de sleutel van het stadswapen.

13e eeuw:

Rhenen groeit uit en krijgt stadsrechten (± 1256) met de bijbehorende stadsmuren (1346) en -poorten (het stadswapen draagt drie poorten en een sleutel).


Bergpoort, Elias stark 1893


Rijnpoort, Elias stark 1893


Westpoort, Elias stark 1893

Ook schijnt er een vrouwenklooster ontstaan te zijn; eerst een werkplaats voor weefsters en spinsters, later alleen voor rijke dochters uit belangrijke families. In 1470 wordt dan ook een nieuw klooster gebouwd, dicht bij de kerk en met een eigen kapel. Vermoedelijk stond er toen al een tweede en grotere kerk. Deze wordt in de veertiende eeuw vervangen door een nieuwe kerk, van welke nu nog gedeelten zijn overgebleven in de huidige kerk.

15e eeuw:

In 1400 brandt Rhenen totaal af, omdat een Betuwse edelman een ruzie wat rigoureus oplost. De vrij nieuwe kerk wordt zwaar beschadigd maar niet geheel verwoest en hij wordt gerestaureerd en ook gemoderniseerd. Het raadhuis brandt wel totaal af, waardoor stadsbrieven en rekeningen verloren gaan en men niet meer kan achterhalen wanneer de kerk gebouwd is en door wie. Toen men met de bouw van de nieuwe kerk begon heeft met een nieuwe beschermheilige gekozen en dat werd Cunera die heilig werd verklaard. De legende wordt nieuw leven ingeblazen en haar verering komt goed op gang. Op de dag van de heiligverklaring, 12 juni, komen veel pelgrims en andere belangstellenden, veel mensen met keelziekten, deelnemen aan de grote Cuneraprocessie. (Grote delen van de oude processieroute heten nog steeds Cuneraweg). Om de processie op te luisteren huurde men speellieden, zelfs zwaarddansers in. Het wordt dus een echte feestdag. in 1451 krijgt de kerk van Nicolaas van Cusa, een afgezant van de paus, een gunstbewijs: de kerk mag een aflaat van 100 dagen geven aan degene die aan de instandhouding van de kerk bijdraagt. Dit levert zeer grote inkomsten op, zoveel dat men aan de bouw van een groots opgezette toren kan beginnen.

16e eeuw:

Men bouwt van 1492-1531 aan de toren. De bouwmeester is onbekend, misschien is het meester Clement ter Goude geweest en vermoedelijk heeft de toenmalige bisschop David van Bourgondië ook wel invloed op het ontwerp gehad. 

Pieter Sainredam. ‘Toren der St. Cunerakerk en exterieur van het Koningshuis vanuit het Noordwesten’, pen, gewassen en aqua­rel, 515 - 395 mm, cat. rais. Utrecht 105, (Rijks­prentenkabinet. Amsterdam. inv. 1904:2).  

Van de toren zijn alleen de bovenste verdiepingen zicht­baar. Het Koningshuis is hier nauwkeurig gede­tailleerd weergegeven. Op de tuinmuur links staat: ...(S)aenredam dit geteijkent den 29 en 30 Junij 1644. Linksonder staat (Ker)ckx thoren der stad Rheenen, Coninx van Bohennen sijn Hoft. De stoffering op de voorgrond en de tekst links­onder zijn latere toevoegingen.

 


In 1517 zijn de eerste drie luidklokken door meestergieter Geert van Wou uit Kampen samen met Gerard Schoonenburg gegoten en hun namen waren Cunera-, Ursula- en St. Maartenklok, waarvan de Cuneraklok een doorsnede heeft van 125 cm had. In 1555 worden door de bekende Jan Tolhuis uit Utrecht nog vijf klokken gegoten, waarvan er nog één in het streekmuseum hangt. Ook is de Paulusklok, de grootste klok in de toren, uit de werkplaats van Jan Tolhuis. Tien jaar later giet Thomas Both samen met Wilhelmus Van Aelten ook nog enige klokken (waarschijnlijk de Petrus en de Andreasklok). In 1527 wordt het orgel in de kerk geplaatst wat een geschenk is van Adrianus VI. De enige Nederlandse bisschop die ooit tot paus werd gekozen. Midden in de 16e eeuw wordt door een onbekende het oksaal aan de kerk geschonken (dit is een galerij voor zangers). Het oksaal wordt volgens de mode van die tijd in renaissance stijl opgetrokken. Nu de toren en de kerk geheel voltooid zijn, met klokken en al, breken de godsdienstoorlogen uit; de hervorming was in 1517 begonnen. Men gaat zich openlijk verzetten tegen Filips II, koning van Spanje en heer der Nederlandse gewesten. Er ontstaat een nieuwe staat: De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, welke de nieuwe kerk, de Hervormde aanhangt. De kerken gaan automatisch over naar het nieuwe geloof. De Duitse orde, nog steeds grondeigenaar, is nu een hervormde instelling geworden en er verandert dus weinig.

In de 17e eeuw hebben diverse schilders in en rond Rhenen landschappen gemaakt. Hieronder volgen twee voorbeelden:


Gezicht op Rhenen-1646 - Anthony van der Croos (1606-1662)


Gezicht op Rhenen-ca 1650 - Aelbert Cuyp (1620-1691)

Dan breekt het jaar 1672 aan, het rampjaar. Dan trekken de Fransen, onder leiding van de zonnekoning Lodewijk de de Republiek binnen en Lodewijk voert het katholieke geloof weer in. Maar dit duurt niet lang want na anderhalf jaar worden de Fransen weer verslagen. De terugtrekkende Fransen vernielen de West- en de Bergpoort. De Rijnpoort blijft gespaard. In 1682 worden er 5 luidklokken verkocht en van de verkoop van deze 7600 kg brons wordt een nieuwe kerkdak betaald. (Deze verkoop vormt een dieptepunt in de geschiedenis van Rhenen: verkopen van gewijde kerkklokken, dat doe je niet. Het heeft de Rhenenaren tot op de dag van vandaag de scheldnaam van klokkenverkopers opgeleverd).

18e-19e eeuw:


De markt van Rhenen en de Cuneratoren (ca. 1745)

In de 18e eeuw gebeurt er bijzonder weinig met de kerk en toren. In 1795 komen de Fransen ons land binnenvallen. Dit is echter alweer van korte duur. Wel loopt hierdoor de Republiek op zijn eind en wordt het Koninkrijk der Nederlanden opgericht. Onder dit regime worden het bezit van kerk en toren gescheiden en de toren wordt aan de gemeente toebedeeld. Het torenportaal dient voortaan als bergplaats voor brandspuit en bijbehorende slangen. De kerk blijft in het bezit van de protestantse kerkgemeenschap.
In 1857 heeft de kerk een restauratiebeurt nodig en er is geld beschikbaar, omdat de kerkvoogdij een deel van haar landerijen verkoopt. De Gemeenteraad in die tijd is te zuinig om een bliksemafleider op de hoge toren te laten maken. Op zaterdag 4 september 1897 slaat de bliksem in de toren en deze brandt geheel uit. Nagenoeg alle klokken gaan verloren.

De eerste restauratie-architect wordt Dr. P.J.H. Cuypers uit Roermond (onder andere Centraal Station Amsterdam, Rijksmuseum). Het benodigde geld wordt bij elkaar gebracht door de verkoop van de stadssparren en rijkssubsidie. De Minister van Binnenlandse zaken besloot (februari 1898) dat een bedrag van f 20.000 voor rekening van het Rijk zou komen, onder voorwaarde dat het schilderij 'Die inneminghe van Reenen', gemaakt omstreeks 1499, aan 's Rijksmuseum zou worden afgestaan. 

Meester van Rhenen: 'Die Inneminghe van rienen geschiet in 't jaer 1499', omstreeks 1500. Paneel, 1820 x 1430 mm.

Dit schilderij, met de oudste afbeelding van Rhenen, is altijd in het bezit geweest van de gemeente Rhenen, tot het in 1898 in handen van het Rijk overging om de restauratie van de verbrande Cunerakerk en toren te garanderen. Een copie van dit schilderij is ervoor in de plaats gekomen.

Het bijschrift in het Rijksmuseum luidt: '1499-8 Juli, De "Grote Garde" verlaat Rhenen dank zij een wonder door tussenkomst van Sint Cunera, patrones der stad, door de Meester van Rhenen. Omstreeks 1500. 

Rhenen was als grensstad van het Sticht Utrecht in 1481, 1483 en 1499 betrokken in de gevechten tussen de Bisschop van Utrecht en zijn vijanden. De stad werd in 1499 ingenomen en geplunderd door de Grote Garde,
huursoldaten in dienst
van de Hertog van Kleef. De troepen zouden zich hebben teruggetrokken toen een plunderaar "door mirakel" onder een grafzerk in de Sint Cunerakerk werd bedolven. '  

Zo wordt de gebeurtenis in het Mirakelboek van Sint Cunera beschreven: in werkelijkheid schij­nen de soldaten naar de Bisschop te zijn overgelopen omdat de hertog van Kleef de soldij niet meer kon betalen.

Het schilderij, dat wellicht is besteld door het Sint Cuneragilde is topografisch vrij nauwkeurig. Op de voorgrond de Utrechtsepoort, die wordt bestormd. Achter de poort poogt een soldaat een burger te doorste­ken. Dit mislukte doordat zijn mes kromtrok, een wonder dat in 1481 zou hebben plaatsgevonden. Rondom de schrijn van Sint Cunera knielen krijgslieden tot inkeer gekomen door het mirakel van de door de grafzerk getroffen soldaat op de achtergrond.  

Cuypers is echter een beetje een eigenzinnig man en maakt de toren nog hoger en mooier door haar extra te versieren (de toren wordt steeds gotischer).
De tweede brand volgt in 1934 als loodgieters op het kerkendak de goot repareren. Alleen het dak van de kerk brandt af en de toren wordt nauwelijks beschadigd. Om de kerk brandbestendiger te maken, besluit architect Kromhout om een vlakke betonnen zolder over de gewelven te leggen. Dit blijkt echter te zware last en in 1938 begeeft de noordoostelijke pijler van de kerk het (de pijler bij de preekstoel). Bij de restauratie besluit men om de witte pleisterlaag te verwijderen, hoewel gotische kerken nooit "schoon metselwerk" gehad hebben (waarschijnlijk heeft men ook de middeleeuwse fresco's met de kalklagen afgebikt).

Ook de toren is weer aan een opknapbeurt toe en hij verdwijnt in de steigers o.l.v. architect N. Onnes. Dan breekt de 2e Wereld Oorlog uit. In 1940 heeft de kerk van de slag om de Grebbeberg weinig schade en de restauraties mogen gewoon doorgaan, in 1945 zijn de toren en de kerk geheel af.

Helaas!... op dinsdag 24 april 1945 (10 dagen voor de Bevrijding!) gooien Engelse bommenwerpers 18 bommen op de toren. Men vermoedde dat de toren door de Duitsers als uitkijkpost werd gebruikt. Er zijn 3 voltreffers op de toren. De schade is enorm: de spits ligt overdwars op het achtkant, één pijler van het achtkant is weggeslagen, in de gewelven van de kerk gaapt een enorm gat, het nieuwe orgel ligt onder een stapel puin.



Er is alweer een grote restauratie nodig en de architect voor kerk en toren wordt Boeijnga. De restauratie van de kerk loopt voorspoedig, maar voor de toren begint een lijdensweg van fouten en vergissingen. Omdat er geen zandsteen meer verwerkt mag worden (i.v.m. stoflongen) kiest men voor de restauratie Baumbergersteen, dat men eerst in het open achtkant, samen met de overgebleven tufsteen verwerkt. Ook komt er een nieuwe eikenhouten koepel op de spits, maar vlak na de oorlog was er geen goed gedroogd hout te koop en men gebruikt maar half gedroogd hout. Daarna zakt men af naar de tweede geleding waar men weer Baumbergersteen gebruikt. De architect is inmiddels de heer Wijma uit Velp geworden. Helaas blijkt nu pas dat het Baumbergersteen supersnel verweert en op de tweede geleding wordt deze steen nu door Muschelkalk vervangen.
In 1968 wordt ook de Baumberger steen van het open achtkant vervangen. In de balustrades wordt basaltlava toegepast. Nu ontdekt men ook dat het lood van de koepel door het natte hout is gaan oxideren en vervangen moet worden. De toren staat weer helemaal in de steigers! Ook wil men de veertien beelden waarvan de laatsten in 1945 gesneuveld waren, door nieuwe vervangen. Drie beeldhouwers maken proefbeelden. Aan de Rotterdamse beeldhouwer Meindert de Boer wordt de eer gegund om 14 beelden in middeleeuwse trant voor de toren te hakken. In de zomer van 1976 is het laatste beeld geplaatst en de toren is geheel gerestaureerd en - zoveel mogelijk - in oorspronkelijke staat hersteld.

 

Deze geschiedenis is gedeeltelijk een uitreksel van het boekje "De Sinte Cunera van Rhenen", door Aleida W. v.d. Bunt.
Zwart-wit fotos zijn overgenomen uit: Achter Berg en Rijn, Dr. H.P. Deys
Kleurenfotos zijn gevonden op het Internet.
In English